|
Dat Nederland een echt waterland is blijkt wel uit de grote hoeveelheid beschikbare veerdiensten. Nederland heeft ca. 200 veerdiensten, die gezamenlijk zo’n 38 miljoen personen per jaar overzetten. De veerdiensten worden uitgevoerd met verschillende type veren zoals: de standaard veerpont voor auto’s, fieters en voetgangers (de bekende platte vierkante schuit); fiets- en voetveren en de zogenaamde sneldiensten met catamarans (zoals de waterbussen in omg. Drechtsteden) en draagvleugelboten op de route Amsterdam-Velsen). De gezamenlijke veerdiensten bieden een werkgelegenheid van ca. 1.050 FTE (fulltime banen). Voor een overzicht van nagenoeg alle veerdiensten in Nederland en toeristische tips, kijk dan eens op www.voetveren.nl
Onderverdelingen veren Veren zijn er in alle soorten en maten. Er bestaan diverse onderverdelingen:
Snelle – en langzame veerponten. De snelle veerponten (boten) gaan sneller dan 40 km/u. In Nederland zijn slechts een beperkt aantal snelle veerdiensten. Dit zijn meestal veerdiensten die in de lengterichting over een kanaal of rivier varen. Een dergelijke veerdienst worden met name uitgevoerd met een draagvleugelboot of catamaran die grote snelheden kunnen halen. Bijvoorbeeld de draagvleugelboten tussen Amsterdam en Velsen en de waterbussen in de regio Dordrecht/Rotterdam. De langzame veerponten hebben een snelheid van ca. 10 km/u. Hiervan steken de meeste recht of schuin het water over.
Vrijvarende - en niet vrijvarende veerponten Bij langzame veerponten wordt weer een onderverdeling gemaakt in de vrijvarende - en niet vrijvarende veerponten. Een niet vrijvarende veerpont is een veerpont die tijdens de vaart niet vrij zijn vaarweg kan kiezen maar door kabels, kettingen of anderszins aan een bepaalde vaarweg is gebonden. Bijvoorbeeld kabelveerpont of gierpont, wel of niet voorzien van een motor.
Autoveer, voet-fietsveer en voetveer Nog een onderverdeling is autoveer, voet-fietsveer en voetveer. Met de autoveer kunnen alle gebruikers mee. Een voet-fietsveer is bestemd voor voetgangers en (brom)fietsen, bijvoorbeeld de waterbussen in de regio Dordrecht-Rotterdam of veel kleine veerdiensten op de Maas. Voetveren zijn bestemd voor voetgangers en zijn vooral te vinden in wandel- of natuurgebieden.
Zoute en zoete veren De laatste onderverdeling zijn de zoute en zoete veren. Hierbij worden de veerdiensten onderverdeeld op basis van het soort water waarover ze varen. Zoete veren Zoete veren zijn dus veerdiensten die op zoete wateren varen. Binnen de zoete veerdiensten wordt onderscheid gemaakt tussen “gewone” veerdiensten en Openbaar Vervoer (OV) veerdiensten die onder de Wet Openbaar Vervoer vallen. Voor wat betreft OV-schepen gaat het om de volgende snelle veerdiensten:
. Dordrecht - Sliedrecht – Papendrecht – Zwijndrecht (Waterbus); Rotterdam - Dordrecht (Waterbus voorheen Fast Ferry); Hoek van Holland - Maasvlakte (Fast Ferry); Velsen - Amsterdam (Fast Flying Ferry); Vlissingen - Breskens (Fast Ferries Zeeland)
Zoute veren Onder de zoute veerdiensten worden veerdiensten verstaan die over zoute wateren varen. Hierbij valt te denken aan de Waddenzee maar ook aan het water tussen de Zeeuwse eilanden. De Westerschelde en Oosterschelde zijn beide zoute wateren. Grevelingen en het Haringvliet zijn echter weer zoete wateren. De veerdiensten over de Zeeuwse wateren varen voornamelijk in de zomermaanden. Er blijven slechts twee Zeeuwse veerdiensten over die het hele jaar varen. Dit zijn de veerdienst van Vlissingen naar Breskens en van Sluiskil oost naar Sluiskil west. Het veer bij Sluiskil vaart over het kanaal van Gent naar Terneuzen. Dit water is zoet en daardoor is dit veer opgenomen in de categorie zoete veren. Het veer tussen Vlissingen en Breskens valt sinds 2003 onder de Wet Openbaar Vervoer.
Leeftijd veerponten De veerdiensten worden veelal met één veerpont onderhouden, namelijk in 69% van de gevallen. De overige 31% onderhoudt de veerdienst met meerdere ponten. De leeftijd van deze veerponten is gemiddeld 26 jaar, wat neer komt op het bouwjaar 1977. Indien ook hier onderscheid wordt gemaakt tussen “gewone”, Openbaar Vervoer en waddenveren blijkt dat de gemiddelde leeftijd van de “gewone” veren hoger ligt. Het gemiddelde bouwjaar van de “gewone” veren is 1973. Dat van de OV veren en de waddenveren is respectievelijk 1999 en 1990.
Gebruikersgroepen De gebruikers kunnen worden onderverdeeld in verschillende gebruikersgroepen. Bijna 37% van de gebruikers heeft als reismotief woon-werk. Sociaal verkeer heeft aandeel van ruim 32% en recreatief verkeer bestaat uit bijna 21% van de gebruikers. De reismotieven beroepsvervoer en scholieren hebben respectievelijk een aandeel van bijna 5% en 7%. Woon-werk verkeer is verkeer dat van het woonhuis naar een vaste werkplek op weg is of vice versa. De reis wordt in dit geval gemaakt om op het werk te komen. Bij beroepsverkeer ligt dit anders. Hierbij wordt de reis gemaakt in het kader van de uitoefening van het beroep. Voorbeelden van beroepsverkeer zijn landbouwverkeer, vrachtwagens, bezorgdiensten, taxi’s en de postbode. Wat onder schoolverkeer wordt verstaan is vrij eenduidig. Dit zijn scholieren of studenten die op weg zijn naar hun onderwijsinstelling. Onder sociaal verkeer valt verkeer met als reisdoel familiebezoek, boodschappen doen, winkelen, kerkbezoek of sportverenigingen. Ten slotte is er recreatief verkeer. Hierbij valt te denken aan fietsers en wandelaars die ter ontspanning een tocht maken maar ook het uitgaanspubliek naar cafés, discotheken, theater of bioscoop valt hieronder. Ponten met een overheersende functie voor het woon-werk verkeer hebben meestal een grotere capaciteit en zullen continu varen volgens een vaste dienstregeling. Ponten met een meer recreatieve of toeristische functie zullen vaak een kleinere capaciteit hebben. Tevens zal de afvaartfrequentie minder zijn of zullen ze varen op aanbod, als de pont vol is vertrekt hij.
Overige functies Naast het overzetten van personen kunnen veerdiensten ook andere functies vervullen. Ca. 64% van de veerdiensten vervult een economische functie. Hiermee wordt bedoeld dat ondernemers voor hun inkomsten afhankelijk zijn van het veer. Een voorbeeld hiervan is een bakker waarvan de helft van de klanten zich aan de andere kant van de rivier bevindt. Veerdiensten zijn vaak ook opgenomen in calamiteitenplannen of maken onderdeel uit van een gevaarlijke stoffen route, respectievelijk 37% en 6%.
Exploitatie In Nederland worden ongeveer 196 veerdiensten geëxploiteerd. Van de veerdiensten die het hele jaar door varen is 67% een autoveer en 33% een voet-fietsveer. Ruim 40% van de veerdiensten in particuliere is in handen, bijna 35% is een gemeentelijke veerdienst, 15% is een provinciale en slechts ruim 9% is een rijksveerdienst. De exploitant is lang niet altijd ook eigenaar van de veerdienst.

|
Geschiedenis van de veerdiensten Het beroep van veerman bestaat al duizenden jaren. De veerman deed zijn intrede toen de mens zijn zwervende bestaan opgaf en ging wonen in vaste nederzettingen waartussen handels- en reisroutes ontstonden. Waar water een barrière vormde tussen dorpen en steden was men afhankelijk van de vele veerdiensten. In het aan water en veren zo rijke Nederland verschijnen de eerste notities over veren pas in het archiefmateriaal van de late middeleeuwen. De geschiedenis van de veren en veerlieden is echter veel ouder dan de archiefstukken bewijzen. Zo waren er in de Romeinse tijd ook al handelsroutes waarin overzetplaatsen bij de rivieren waren opgenomen. Hieronder in het kort de mythe van de bekendste veerman van de Grieken en de Romeinen, namelijk Charon.
“Charon is de norse en afschrikkende veerman die de zielen van de gestorvenen over de rivier de Styx naar het dodenrijk brengt. Van elke schim die hij overzet ontvangt hij een obool. Dit is een munt die de gestorvenen in zijn mond bij zich draagt. Charon mag alleen diegenen naar het schimmenrijk brengen die in de aarde zijn begraven. De schimmen van diegenen die niet begraven zijn dolen langs de oever van de Styx, wachtend tot iemand hun lichaam begraaft. Levenden mogen zonder toestemming van de goden niet worden overgezet.”
De tweede helft van de negentiende eeuw bracht grote veranderingen met zich mee. De opkomst van het stoomtijdperk en de daarmee samenhangende industriële revolutie betekende voor de veerdiensten een toename van de verkeersstromen. De bestaande gier- en kabelponten werden uitgerust met een hulpmotor. Tevens werden er grote vrijvarende ponten gebouwd. Hierdoor konden de ponten, door een verhoogde frequentie, voldoen aan de toegenomen vraag. Van 1950 tot 1973 vond er in geheel West Europa een sterke economische groei plaats, de zogenaamde tweede industriële revolutie. Door de gunstige economische ontwikkelingen en de hiermee gepaard gaande snelle groei van de automobiliteit, is er heel wat veranderd voor de veren. Veel veerdiensten zijn uit de vaart gehaald. Een belangrijke reden hiervoor is de bouw van vele bruggen en tunnels.
|
Veerrechten Vroeger werden alle veerdiensten geëxploiteerd op basis van een veerrecht. Deze werden verleend door een landsheer aan iemand die zich verdienstelijk had gemaakt. De veerrechten zijn daarom ook te vergelijken met tol- en visrechten, de zogenaamde heerlijke rechten. Het veerrecht gaf recht om op een bepaalde lengte van een rivier personen, goederen en dieren over te zetten met uitsluiting van ieder ander(Ketelaar, 1978). Een veerrecht schept hierdoor een monopolie. In de tijd van Napoleon zijn, met de wet 6 Frimaire VII in 1798, alle heerlijke rechten afgeschaft. Het eigendom van deze rechten ging over naar de staat. Het keizerlijke decreet van 21 oktober 1811 heeft de wet uit 1798 ten aanzien van het eigendom teruggedraaid. Dit gold echter alleen voor de noordelijke veren. Pas in 1814 heeft Koning Willem I het eigendom van alle veren weer teruggeven aan de oorspronkelijke eigenaren. De vermeende eigenaar moest hiervoor een aanvraag indienen bij de gouverneur van de provincie. Indien deze het verzoek goedkeurde werd het voorgelegd aan het Departement van Domeinen(Ketelaar, 1978). Vanaf 1811 konden er geen veerrechten meer ontstaan. Het keizerlijk decreet stelde dat het oprichten van een veer afhankelijk was van een concessie van de overheid. Bij de invoering van de Verenwet in 1921 werden de oude veerrechten weer volledig erkend. De veerrechten die bij de staat waren gebleven vervielen echter wel bij invoering van deze wet. Door deze ontwikkeling zijn er in feite twee soorten veerdiensten. Ten eerste zijn er veren die gebaseerd zijn op een heerlijk veerrecht. Tevens zijn er veren waarvan het veerrecht is vervallen ten tijde van Koning Willem I of veren die zijn ontstaan op grond van artikel 1 van de Verenwet. Deze veren worden ook wel de vrije veren genoemd. Veren die onder een veerrecht worden geëxploiteerd hebben te maken met tariefregelingen. De vrije veren kennen een dergelijke regeling vaak niet. Wanneer het eigendom van een vrij veer in handen is van een gemeente, zal zij toezien op de tarieven. Ondanks dat de veerrechten al erg oud zijn, vaart nog 58% van de veerdiensten in Nederland onder een veerrecht. |
Bron: Rapport "Hoe ver is de overkant"
. . . . 
|